Dansend de taalontwikkeling van kleuters ondersteunen? Saskia vertelt over haar onderzoek! 

Op de website van het Lectoraat Kunsteducatie kun je het gratis e-book van Saskia’s onderzoek downloaden!

WERKPLEZIER EN DIDACTIEK I Dans kan jonge kinderen helpen bij het leren van een nieuwe taal. Dat blijkt uit onderzoek van danspedagoog Saskia Sap, dat zij onlangs afrondde bij het Lectoraat Kunsteducatie in Amsterdam. In het boekje Dansend Nederlands leren voor NT2-kleuters (2023) beschrijft zij haar TOLD-model, dat ze op drie basisscholen testte. Werk jij ook met kleuters? In dit artikel lees je over het onderzoek! In een volgend artikel geeft Saskia tips hoe jij als dansdocent aan de taalontwikkeling van kleuters kan bijdragen.

Jake

In een van mijn danslessen op een Amsterdamse basisschool stond op een dag het jongetje Jake. Hij was net drie weken geleden in Nederland aangekomen en kwam uit een West-Afrikaans land. Daardoor beheerste hij onze taal nog niet en zat hij op school in een speciale taalklas. Samen met zijn klasgenootjes deed hij één keer per week mee met mijn TOLD-les: taalondersteunend lesgeven door dans. 

Tijdens de eerste twee lessen rende hij voornamelijk rondjes en riep hij van alles in zijn eigen taal. Met de gezamenlijke opdrachten deed hij niet mee, hoewel hij wel belangstelling toonde voor alles wat er te zien was. De leerkracht en de dansdocent die de dansles gaven (onder mijn begeleiding als pedagoog en onderzoeker) besloten hem voorlopig maar even zijn eigen gang te laten gaan. Als de dansdocent een attribuut in haar handen had, probeerde Jake dit te pakken en hij werd boos als dat niet gewaardeerd werd. 

Het viel mij ook op dat hij bijna de hele tijd op zijn tenen liep. 

In de derde les zagen we een verandering. Tijdens een opdracht tot vrij dansen met gekleurde, doorzichtige doekjes communiceerde de dansdocent met hem via beweging. Ze legde een doekje op haar gezicht en keek vrolijk naar hem. Hij begon te lachen en maakte eigen bewegingen op de muziek, die andere kinderen weer overnamen. De ruimte en tijd die de dansdocent hem gunde om te wennen - plus de non-verbale communicatie, de muziek en het attribuut (het doekje) - gaven hem de mogelijkheid om zich deel te voelen van deze groep. Een eerste stap op weg naar verbale communicatie in de nieuwe taal. De lessen erna deed hij met steeds meer oefeningen mee.

Zijn voeten raakten nu tijdens het dansen helemaal de grond. Het was alsof hij letterlijk geland was in de groep…

Op deze manier is dans een fijne ‘brug’ tussen het nog niet met (een nieuwe) taal kunnen communiceren en het uiteindelijk kunnen spreken in die nieuwe taal. Steeds meer onderzoek wijst er dan ook op dat bewegen, waaronder dans, een gunstige invloed kan hebben op de taalontwikkeling van kinderen en jongeren. Want het lichaam en de zintuigen blijken niet alleen ‘ontvangers’ van informatie te zijn, maar juist ook fundamenteel bij te dragen aan het verwerken en begrijpen van die informatie. 

Ook in het Nederlandse onderwijs is er gelukkig steeds meer aandacht voor de relatie tussen dans en taal. Dat was voor mij een goede reden om te gaan onderzoeken hoe ik daar, vanuit mijn eigen kennis en expertise als dansdocent, een bijdrage aan kan leveren!

Methodes voor dansend taal leren

Er zijn verschillende methodes om al dansend de taalontwikkeling van kinderen te stimuleren. De door Lenneke Gentle ontwikkelde methode Taal- en Rekendans wordt al veel gebruikt in de voorschoolse opvang en de eerste jaren van het basisonderwijs. Ook dansgezelschap Sally Maastricht heeft een kortlopend programma voor het basisonderwijs (‘Dansje Taal’), waarbij kinderen via beweging woorden, getallen en klanken in het Engels, Frans of Duits leren. En in België koppelt de cultuurorganisatie Danskant kleuterdans aan taalactiviteiten via de methode Dans Je Taal, vooral met liedjes. 

Maar wat ik in bovenstaande methoden miste, zijn taalondersteunende lessen die speciaal voor NT2-leerlingen ontwikkeld zijn. Oftewel, voor leerlingen voor wie het Nederlands de tweede taal is. Danslessen waarin een rijke taaldansomgeving het leren van taal ondersteunt, én waarin dans ook haar artistieke waarde behoudt. Daarom ben ik in 2020 gestart met een educatief ontwerponderzoek aan het Lectoraat Kunsteducatie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Met als doel om een model te ontwerpen voor zulke NT2 taaldanslesssen. 

Mijn uitgangspunt van het onderzoek was een bestaand model met bijbehorende ontwerpprincipes voor taalontwikkelend lesgeven. Namelijk het TOL-model, dat ontwikkeld is aan de Katholieke Universiteit Leuven (Verbruggen, Cajot, Mesot, & Taelman, 2013). Dit model is speciaal ontworpen voor kleuters voor wie Nederlands de tweede taal is. De onderzoekers hebben dit gezamenlijk met professionals uit het kleuteronderwijs gedaan, waardoor het aansluit bij de behoefte uit de praktijk. 

In mijn eigen onderzoek heb ik geprobeerd om dit Leuvense model te verrijken met literatuur over dans, en aan te passen naar ‘taalondersteunende danslessen' (TOLD). Deze danslessen hebben het doel om de taalontwikkeling te ondersteunen, maar zijn dus geen aparte taallessen. Daardoor kan je het TOLD-model gebruiken op een basisschool, maar ook gewoon in een buitenschoolse dansles. 

Mijn TOLD-model

Mijn model bestaat uit drie ontwerpprincipes, die je zou kunnen zien als ‘eigenschappen’ van het lesmodel: 

  1. Creëer een positief, veilig en rijk leerklimaat, waarbij drie dingen belangrijk zijn:

    1. richt het lokaal in als een theater (maak het thema zichtbaar); 

    2. werk thematisch; 

    3. communiceer op kleuterniveau.

  2. Ontwikkel betekenisvolle activiteiten, waarbij het gebruik van dans als artistieke activiteit, en fantasie en spel centraal staan.

  3. Bied ondersteuning door interactie, waarbij het draait om veelvuldige herhaling van woorden en om zinvolle interactie.

In het voorjaar van 2021 heb ik drie maanden lang de danslessen op basis van het TOLD-model getest, op drie verschillende basisscholen in Amsterdam. Dat deed ik met drie vierdejaarsstudenten van de opleiding Docent Dans van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Zij gaven de danslessen, en ik observeerde. Tijdens en na deze lessen verzamelden we gegevens over de werking van de ontwerpprincipes in de praktijk, met gestructureerde observaties, audioreflecties en interviews. 

De TOLD-lessen sloten aan bij de thema’s waarmee de school op dat moment in de kleutergroepen werkte, bijvoorbeeld ‘Lente’, ‘Verkeer’ of ‘Kunst’. Samen met de studenten maakte ik lessenseries van drie of vier lessen binnen zo’n thema. In de lessen verwerkten we woorden die met de thema’s te maken hadden. Elke les kende dezelfde lesopzet met uiteindelijk zes onderdelen in een vaste volgorde:

  1. Staand in de kring: ontmoeting met elkaar en met de dansdocent, afzonderlijke lichaamsdelen bewegen, vrijwel meteen op muziek.

  2. De ruimte verkennen in het thema. 

  3. Terug in de kring, zittend op de grond: nieuwe materialen en woorden leren kennen (passieve woordenschat). 

  4. Oefenen en dansen met de actieve woordenschat.  

  5. Een korte dans met eventueel zang en ritme, bijvoorbeeld een korte choreografie of een liedje, gedicht of rap met beweging.

  6. Reflectie met de kinderen, waarin het geleerde wordt benoemd.

Deze lesopzet verschilt niet veel van een ‘normale’ kleuterdansles. Het verschil zit hem in de toepassing van de eerder genoemde ontwerpprincipes binnen zo'n lesopzet. De lesopzet is dan ook alleen je kapstok, een handige volgorde waarin je de leermogelijkheden aanbiedt. 

Het verschil met een reguliere kleuterles is dat je alles verbindt met taal: van tevoren zoek je de themawoorden die geleerd gaan worden uit, je spreekt ze duidelijk uit en herhaalt ze steeds met de kinderen. Daarna vraag je de nieuwe woorden ook actief terug: "Wat is dit?” “Het stoplicht!” "Wat doen we nu?” “We fietsen!”.

In de TOLD-lessen creëer je als dansdocent een gezamenlijk podium waarop de kinderen de kans krijgen om in de flow van het dansen hun lichaam te leren kennen als een instrument van expressie. Op hun eigen, persoonlijke manier mogen ze de woorden uit het thema verbeelden, verwerken en uitspreken. Daarbij gaat het dus niet om het technisch leren uitvoeren van danspassen, maar eerder om belichaming (‘embodiment’) van de taalbegrippen in het eigen lichaam, waardoor er een besef ontstaat van de betekenis van deze begrippen. 

Uitkomsten

Uit het onderzoek blijkt dat de dansdocenten en leerkrachten de drie ontwerpprincipes zien als een waardevolle bijdrage aan de taalontwikkeling. Volgens hen was belangrijk:

  • dat er in de danslessen gewerkt wordt binnen het thema, 

  • dat het lokaal wordt aangekleed als een soort theater met voorwerpen uit het thema,

  • en dat de dansdocenten veel woorden met de kinderen herhalen – bewegend, sprekend en/of zingend. 

Het hielp om thematisch te werken in aansluiting op de taalmethode uit de reguliere taallessen. Daardoor konden de kinderen, zagen zowel de dansdocent als de groepsleerkracht, een connectie maken tussen wat er door de week in de klas werd behandeld en wat er in de dansles werd gedaan. Zo konden ze nieuwe woorden op twee momenten herhalen. Een pluspunt daarbij was dat de NT2-kinderen in de dansles konden laten zien dat ze bepaalde woorden begrepen zonder dat ze deze meteen hoefden uit te spreken. 

Alle docenten en leerkrachten zeiden dat de ruimte voor eigen inbreng van kinderen een grote rol speelt. Daardoor kunnen die op hun eigen niveau met de aangeboden (dans)opdrachten meedoen en kunnen ze hun expressie en energie kwijt in de les. Tijdens de dansopdrachten met fantasie en spel leken de kinderen zich echt in te leven in het thema, waardoor de nieuwe woorden op een natuurlijke wijze tot hen kwamen. En, niet onbelangrijk, vrijwel alle kinderen waren heel enthousiast over de TOLD-lessen!

Voor dansdocenten bleek het veelvuldig herhalen van woorden nog wel lastig, omdat ze dat in een gewone dansles niet gewend zijn. Als je TOLD-lessen zou willen geven, is het dus goed om jezelf daar wel een beetje in te trainen. In mijn volgende artikel zal ik daarom tips geven over hoe je dit in je eigen lessen aan zou kunnen pakken.

En nu?

De laatste jaren neemt gelukkig het besef steeds meer toe dat beweging broodnodig is in het onderwijs (Mulier Instituut, 2023), en dat bewegen tijdens het leren positieve effecten kan hebben (Lees & Hopkins, 2013; Singh, 2019; Verburgh, Königs & Scherder, 2014). Als dansdocenten hebben wij hierbij een meerwaarde! Wij hebben namelijk een groot bewegingsvocabulaire, kennis van geschikte dansmuziek en zijn in staat te werken in een ‘creatieve chaos’. 

Als dansend leren op grotere schaal in het primair onderwijs zou worden toegepast, zou het de werkdruk van leerkrachten kunnen verlagen én een nieuw werkgebied voor dansdocenten kunnen bieden. Het zou goed zijn als de overheid hierin zou investeren. Ook is het mijn vurige wens om een module ‘dansend taal leren’ op alle opleidingen voor dansdocenten in te richten. Zo kunnen (aankomende) dansdocenten de taalontwikkeling van alle kinderen - op school en in buitenschoolse danslessen - effectief ondersteunen.

Wil je zelf aan de slag met taalondersteunende danslessen? Misschien heb je nu al genoeg inspiratie. Maar lees zeker ook deel 2 van dit artikel. Daarin staan allerlei praktische voorbeelden om zelf een TOLD-les te geven.

Bronnen


WERKPLEZIER & DIDACTIEK

Over één ding zijn dansdocenten het allemaal eens: wat een uitdagend en veelzijdig beroep hebben wij! Door middel van dans kunnen wij leerlingen begeleiden in hun algemene leerproces. Aan de hand van verschillende didactische werkwijzen leren we ze elke keer dat stapje meer. En dat geeft ons voldoening. Als dansdocent sta je er echter ook vaak alleen voor. Het is vaak creatief zoeken naar oplossingen voor de problemen waar je tegenaan loopt. Hoe bereid je je schooljaar voor? Hoe ga je te werk binnen verschillende contexten? Hoe gaan we de eindvoorstelling vormgeven? Maar vooral… Hoe behoud ik plezier in mijn beroep? Dat alles lees je in de rubriek ‘Werkplezier & Didactiek’!

Saskia Sap

Saskia Sap is redacteur Werkplezier & Didactiek. Ze studeerde Pedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en volgde de opleiding Docent Dans aan de Nel Roos Academie. Al meer dan 25 jaar is zij als docent en stagebegeleider verbonden aan de opleiding Docent Dans van de AHK. Daarnaast is zij gastdocent en examinator aan de mbo dansopleiding PACT+ in Amsterdam. Haar eigen dansstudio heeft Saskia recent overgedragen om meer tijd te hebben voor bestuurs-, opleidings- en onderzoekswerk. Zo is zij secretaris en cursusleider bij Dansbelang NBDO en houdt zij zich momenteel bezig met een onderzoek naar dansend taal leren in groep 1 en 2 van het basisonderwijs. Voor Dansdocent.nu zet Saskia haar expertise in om andere dansdocenten bij te scholen op het gebied van didactiek.