Ervaar de kracht van herhaling: Dans met prentenboek Rupsje Nooitgenoeg

Foto: Bo van Hagen

Foto: Bo van Hagen

MUZIEK & LESMATERIAAL | Wie is er niet groot mee geworden? Rupsje Nooitgenoeg is hét prentenboek dat kinderen kennis laat maken met tellen, gezonde voeding, de dagen van de week en de metamorfose van rups naar vlinder. Het is om die reden een multi-inzetbaar verhaal dat op peuterspeelzalen en basisscholen veel wordt voorgelezen. Hoog tijd dat de klassieker ook zijn welverdiende plek in de dansles krijgt! Lees snel verder voor de voorbeeldles. 

Herhaling, een feest van herkenning

Met ruim vijftig miljoen exemplaren in omloop, kan gerust gesteld worden dat Rupsje Nooitgenoeg een geliefd en bekend boek is. Dit prentenboek van Eric Carle is sinds de eerste druk in 1969 een absolute hit. Het is sindsdien vertaald in meer dan 65 talen en is niet meer weg te denken uit klaslokalen, bibliotheken en boekenkasten thuis. Maar waarom is nou juist dit boek een goed voorbeeld van een bruikbaar boek voor in de dansles? Dat komt door de herkenbaarheid van het boek en de herhaling binnen het verhaal.  

Herhaling geeft een gevoel van veiligheid; kinderen ervaren dat ze de stof aankunnen en dat is goed voor hun zelfvertrouwen.
— Jacqueline Wouda, onderwijsjournalist

Anders dan volwassenen kunnen kinderen niet meteen het hele verhaal overzien. Hierbij geldt dat hoe vaker zij het verhaal voorgelezen krijgen en hoe meer herhaling er in het boek te vinden is, hoe meer zij het verhaal en de gebruikte woorden zullen gaan herkennen. Dit is een stimulans voor de woordenschatontwikkeling, het verhaalbegrip en hun zelfvertrouwen. Het gevoel van competentie dat kinderen hebben ten aanzien van het boek en de daarin besproken thema’s neemt toe naarmate zij er vaker mee in aanraking worden gebracht. Bijvoorbeeld tijdens een dansles!

Wil je meer weten over hoe je met je dansles bij kunt dragen aan de woordenschatontwikkeling van jonge kinderen? Lees dan ook mijn artikel Stimuleer de woordenschat: dans met prentenboek Florians Dans” 

Door het prentenboek te gebruiken in de dansles bied je kinderen de kans het verhaal vanuit een ander perspectief te ervaren en middels dans te verwerken. Zo draag je bij aan de expansie van het netwerk van woorden en concepten dat in eerdere voorleessituaties al is opgebouwd en geef je kinderen de kans vertrouwd te raken met het verhaal. Deze vertrouwdheid uit zich in een gevoel van competentie en cognitieve veiligheid; ik ken en kan dit! 

Het boek staat bol van thema's die als bron voor de dansles zouden kunnen dienen. Je kunt er dan ook alle kanten mee op. Zo worden woorden als cocon, hongerig, knabbelen, krabbelen en wonderschoon – woorden die kinderen niet dagelijks tegenkomen – in dit boek behandeld. Ook de dagen van de week, de namen van fruitsoorten en tussendoortjes, hoeveelheden (fruit), de verschillende manieren van voortbewegen van rupsen en vlinders (kruipen, kronkelen, vliegen en fladderen) en contrasten als klein en groot, dun en dik, hongerig en voldaan, worden in Rupsje Nooitgenoeg aangestipt. 

Het is aan jou om te bepalen op welke aspecten de dansles gaat inzoomen. Je kunt onmogelijk alle thema's behandelen in één dansles. Bovendien ontstaat meer samenhang en ruimte voor verdieping en betrokkenheid wanneer het thema van de les goed is afgebakend. Lees daarover meer in mijn artikel “Creëer betrokkenheid door te dansen met prentenboeken

Voorbeeldles Rupsje Nooitgenoeg

  • Deze dansles is geschikt voor de onderbouw van de basisschool.

  • Benodigdheden: de Spotify-afspeellijst Dansles Rupsje Nooitgenoeg, het prentenboek Rupsje Nooitgenoeg (of de digitale versie – zie video hierboven), slierten van verschillende kleuren crêpepapier (of linten), een pluche rups of een zelfgemaakte papieren rups, hoepels en grote (gelamineerde) platen van alle fruitsoorten waar de rups zich doorheen eet, voor ieder kind een groot vel papier (bij voorkeur formaat A2), oliepastelkrijtjes, schilderstape.

VOORLEZEN 

Haal het prentenboek tevoorschijn en laat de kinderen reageren op wat ze zien. Veel kinderen zullen het (her)kennen en dit spontaan laten blijken. Zoals eerder te lezen was in het eerste artikel van deze reeks over dansen met prentenboeken ervaren jonge kinderen vaak een vorm van trots wanneer ze bepaalde elementen van het boek kunnen ’voorspellen’. Deze trots is een waardevolle bron van betrokkenheid. 

Bied de groep de kans om dit enthousiasme te uiten voordat je begint met voorlezen. Laat de kinderen om beurten vertellen wat zij zich herinneren van het boek en laat hen elkaar aanvullen. Zo krijg jij een beeld van de voorkennis die de kinderen gezamenlijk al hebben en betrek je hen vanaf het begin bij het verhaal. Lees vervolgens het hele verhaal voor en laat de platen zien.

OEFENING 1 – Rups (individueel)

Bach Orchestral Suite No. 3 in D Major, BWV 1068: II Air, Johann Sebastian Bach

Rupsje Nooitgenoeg begint met een klein eitje op een groot, groen blad. In dat eitje zit een hongerige rups. Knak! Het eitje barst en de kleine, hongerige rups kruipt naar buiten.

Visualiseer de manier van voortbewegen van een rups door de platen in het boek te laten zien. Zorg voor een pluche rups om het mee voor te doen, of maak heel eenvoudig zelf een demonstratierups met stroken gekleurd papier. Laat de kinderen vervolgens uitproberen hoe zij zich kunnen voortbewegen zoals een rups dat doet; liggend op de buik gaat er van achteren naar voren een soort golfbeweging door het lichaam, die de rups voortstuwt.

Zorg dat er verspreid door de ruimte hoepels klaarliggen met bij elk een (gelamineerde) afbeelding van één van de fruitsoorten en tussendoortjes waar de rups zich doorheen eet. Laat hierna alle kinderen een plekje zoeken, zet de muziek aan – let op het volume; je moet verstaanbaar blijven! – en vertel nogmaals het begin van het verhaal: er ligt een klein eitje op een groot groen blad. De kinderen maken zich klein en wanneer de muziek begint, kruipen zij uit hun denkbeeldige eitje. 

Kruipend als rupsen beginnen zij hun zoektocht naar eten. De kinderen kruipen en kronkelen van hoepel naar hoepel en kruipen door de hoepels heen door een kant van de liggende hoepel op te tillen. Laat de kinderen zelf kiezen waar zij trek in hebben en hoe vaak ze door iedere hoepel kruipen. 

Wil je het aspect ’tellen en hoeveelheden’ uit het boek belichten? Dan is dit je kans om de hoeveelheden fruit die de rups eet te koppelen aan cijfers. Leg bijvoorbeeld bij de hoepel van de sinaasappelen een afbeelding met vijf sinaasappelen, de schematische weergave van vijf stippen en het cijfer 5 neer. Wanneer je kinderen actief met de cijfers en hoeveelheden bezig wilt laten zijn kun je deze drie verschillende structuren van het cijfer vijf verspreiden door de ruimte of bij de verkeerde hoepels neerleggen, zodat de kinderen al kruipend als rupsen de juiste kaarten bij elkaar kunnen zoeken.  

OEFENING 2 – Rups (samen)

Makassar, Fay Lovsky

Na het solo-rupsen is het tijd voor samen-rupsen! In kleine groepjes van drie of vier kinderen imiteer je de golfbeweging die door het lichaam van een rups gaat wanneer hij zich voortbeweegt. Doe staand of zittend naast elkaar de ‘rupswave’. Deze gaat als volgt: de kinderen pakken links en rechts van zich de hand van een ander kind vast en vormen een lijn. Een van de twee buitenste kinderen geeft de impuls voor de golfbeweging door eerst de ene en dan de andere hand en arm omhoog en weer omlaag te bewegen. De golfbeweging wordt via het vasthouden van de handen doorgegeven aan het volgende kind. Het kind bij wie de rupswave tot een einde komt, is degene die vervolgens weer een nieuwe wave inzet. Laat steeds een ander kind de rupswave in gang zetten. Alle kinderen vinden het immers leuk om de impuls te geven. Probeer de rupswave ook eens met de hele groep in een kring of halve cirkel; plezier gegarandeerd!

In deze oefening wordt geoefend met samenwerken, coördinatie en isolatie van de armen.  

OEFENING 3 – Volgevreten

Känguru, Accordina

Tijdens deze oefening ligt de focus net als in ‘’oefening 6 – ritmiek’’ van dansles rondom het prentenboek Florians Dans op het ervaren van de ritmiek van de muziek. Deze keer is de muziek die gebruikt wordt geen wals, maar een nummer met heel duidelijke accenten in de vorm van een ‘oink’ die op iedere tel 2, 4, 6 en 8 in de muziek te horen is.

Vertel nogmaals hoe de rups zich – na het eten van een hoop fruit gedurende de week – op zaterdag dwars door een stuk chocoladetaart, een ijsje, een zure bom, een plak kaas, een stuk worst, een lolly, een stuk vruchtencake, een worstje, een taartje en een stuk meloen eet en zich daarna niet goed voelt door de enorme hoeveelheid eten. Hij heeft pijn in zijn buik en is een grote, dikke rups geworden.

De kinderen gaan dit dansen door op iedere ‘oink’ in de muziek een ander pose aan te nemen die laat zien dat de rups pijn in zijn buik heeft en zich volgevreten en tonnetje rond voelt. Maak er een theatraal spektakel van door in iedere pose overdreven groot en dramatisch het ellendige gevoel van de rups te laten blijken. Doe dit een aantal keren voor, zodat de kinderen een idee krijgen van zowel de muzikaliteit als de mogelijkheden wat betreft het bewegen. Moedig de kinderen aan om door de ruimte te bewegen.

OEFENING 4 – Transformatie

Transformation, Bulgarian Women’s Choir

Lees nogmaals de bladzijden voor waarop beschreven wordt hoe de rups bol staat van al het lekkers dat hij gegeten heeft, een klein coconnetje voor zichzelf maakt en twee weken later als prachtige vlinder tevoorschijn komt. Laat de kinderen dan een plekje zoeken in de ruimte en zich klein maken als een opgerolde rups in een coconnetje. Laat de kinderen zelf bepalen wanneer zij uit hun denkbeeldige cocon kruipen en als prachtige vlinder naar buiten fladdert. Het ene kind zal direct willen fladderen, terwijl het andere kind het misschien wel fijn vind om zich even helemaal klein te maken, voordat hij uitvliegt. Stimuleer verschillende manieren van vliegen; hoog, laag, snel, traag, vooruit, achteruit, heel klein en juist heel groot.

OEFENING 5 – Vlinder

Fladder (Polka), Kriebels

Zorg dat je voor deze oefening smalle stroken gekleurd crêpepapier geknipt hebt. De slierten hoeven niet langer dan een meter te zijn. Alle kinderen kiezen een aantal kleuren. Deze worden om de armen geknoopt of vastgehouden in de handen. Met de wapperende slierten aan de armen bewegen de kinderen als vlinders door de ruimte. Daag hen uit sierlijk en springerig te bewegen, met snelle fladderbewegingen van de armen. Je zult zien dat de kinderen anders fladderen en bewegen dan tijdens de vorige oefening.

Foto: Bo van Hagen

Foto: Bo van Hagen

OEFENING 6 – Danstekening

Pizzicato Polka, Léo Delibes, Eugene Ormandy, Philadelphia Orchestra

Deze oefening is optioneel en vanwege de organisatie ervan enkel uitvoerbaar tijdens danslessen die langer dan 45 minuten duren.

Ieder kind krijg een goot blad (bij voorkeur A2) en verschillende kleuren oliepastelkrijtjes. Plak het vel papier vast met schilderstape, zodat het niet verschuift tijdens het maken van de danstekening en de kinderen vol overgave kunnen krijten. Wanneer ieder kind de benodigde materialen heeft, achter zijn blad zit en jou kan zien, zet je de muziek aan en vraag je de kinderen met jou mee te doen. Tijd om de handen te laten dansen! 

Voordat er op papier een grote vlinder getekend gaat worden (fijne motoriek), kunne dezelfde bewegingen die later op papier uitgevoerd gaan worden eerst als luchttekening (grove motoriek) geoefend worden. Begin bovenaan en maak het lijfje van de vlinder door beide handen van elkaar weg te bewegen en onderaan weer samen te komen. Herhaal dit gedurende een aantal maten van de muziek, voordat je begint met de vleugels. Hiervoor geldt dat beide handen tegelijkertijd in actie zijn en tijdens het bewegen elkaars spiegelbeeld vormen. Sluit de luchttekening af met de voelsprieten, of geef de vlinder nog pootjes en figuurtjes op zijn vleugels. Maak alle tekenbewegingen op de maat van de muziek.

Na de luchttekening speel je opnieuw de muziek af en herhaal je de stappen, maar dan op papier. Geef de kinderen de tijd om de bewegingen die horen bij ieder onderdeel van de tekening vaak te herhalen voordat je doorgaat naar het volgende onderdeel. Wanneer het danstekenen is afgelopen en er nog tijd over is, kun je de kinderen de kans bieden om hun vlinder te versieren. Stel de vraag: ‘’Hoe zou jij eruit (willen) zien als vlinder?’’ en laat hen de vlinder versieren met de vormen en kleuren die zij willen gebruiken.

OEFENING 7 - AFRONDEN

Eindig de les kort in de kring. Pak de laatste bladzijden van het boek erbij en bekijk met z’n allen de grote, bontgekleurde vlinder. Stel de vraag: ‘’Waar zou jij heen fladderen als je een vlinder zou zijn?’’ of: ‘’Wat zou jij weleens vanuit de lucht willen zien?’’

Heb jij een vraag voor onze redacteur Bo van Hagen over deze les of heb je de voorbeeldles uitgevoerd? We horen graag van je! Je kunt je vragen en ervaringen onderaan dit artikel achterlaten in een opmerking.  

Bronnen

Carle, E. (2013). Rupsje Nooitgenoeg. Gottmer.

de Vos - van der Hoeven, T. (2015, september). Nog een keer! Het belang van herhaling.

Wikipedia. (sd). The Very Hungry Caterpillar. Opgeroepen op september 10, 2019, van Wikipedia.

Wouda, J. (2017, augustus 17). Herhalen is de kracht van het leren. Opgehaald van Heutink voor thuis.


MUZIEK & LESMATERIAAL

Als dansdocent ben je veel tijd kwijt met voorbereiding. Uren die niet betaald worden. Vooral muziek zoeken voor een nieuwe les is een hels karwei. Wie kent er nog een leuk liedje over de winter? Of over vlinders? Leeuwen? Bijen? En welke oefening doen we daar bij? Help! Onze redacteur Muziek & Lesmateriaal schrijft artikelen met oefeningen en lesplannen voor danslessen voor kinderen. Deze worden vergezeld van muzieksuggesties, zodat jullie nooit meer lang hoeven te zoeken naar een geschikt muzieknummer!

Bo.png

Bo van Hagen

Bo van Hagen is redacteur Muziek & Lesmateriaal voor kinderen. Ze heeft dans gestudeerd aan de Nationale Balletacademie en Codarts. Momenteel doet ze de pabo met een interesse in creatieve en progressieve vormen van onderwijs. Voor Dansdocent.nu stelt ze inspirerende lesplannen samen, compleet met muzieksuggesties.