Stimuleer de woordenschatontwikkeling: dans met prentenboek Florians Dans

MUZIEK & LESMATERIAAL | Taal verschijnt tijdens de dansles in alle denkbare vormen: als fysiek communicatiemiddel in de vorm van dans en beweging, in muzikale vorm en natuurlijk als verbale en non-verbale taal in interactie. Een dansles zonder taal is simpelweg ondenkbaar. Maar wist je dat dans ook doelbewust ingezet kan worden voor het bevorderen van de woordenschatontwikkeling van jonge kinderen? Ontdek aan de hand van een voorbeeldles omtrent het prentenboek Florians Dans hoe je dat kunt doen! 

Woordenschatontwikkeling

Hoe meer woorden een kind kent, hoe meer grip het heeft op de wereld om hem of haar heen. Taal maakt het mogelijk om te denken, lezen, schrijven, begrijpen en communiceren. Een grote woordenschat maakt beknopt en begrijpelijk communiceren mogelijk. Een grote woordenschat is dan ook  de sleutel tot succes tijdens de schoolloopbaan van kinderen en bereidt hen voor op een succesvolle carrière (Dellevoet)

Hierbij geldt dat een woordenschat van 2.000 woorden als minimum wordt aangehouden, zo zegt taalonderzoeker Anne Vermeer (2010) in het NRC. Dit is het aantal woorden dat men bij een inburgeringscursus leert en zou de grens zijn tussen het wel of niet functioneren in de maatschappij. Ter vergelijking: een laagopgeleide volwassen Nederlander kent zo’n 15.000 tot 20.000 woorden en een hoogopgeleide Nederlander kent zo’n 60.000 woorden. 

Ook in de dansles neemt taal een prominente rol in! Taal is bijvoorbeeld nodig voor het creëren van de context die de betrokkenheid van kinderen tijdens de dansles bevordert, voor het uitleggen van de dansactiviteiten en voor het complimenteren en corrigeren van kinderen. Zelfs als woordenschatontwikkeling niet het focuspunt van de dansles is, is het gemakkelijk dit als subdoel mee te nemen in de voorbereiding en uitvoering van je dansles. 

Prentenboeken zijn niet alleen een ideaal hulpmiddel voor het creëren van meer betrokkenheid (zie vorig artikel), maar ook voor het introduceren van nieuwe woorden. Zo blijkt dat digitale prentenboeken de taalontwikkeling dusdanig stimuleren dat kinderen per jaar 600 extra woorden leren, zo beweert Marianne Verhallen (2009) in haar boek Met woorden in de weer

Onderaan dit artikel vind je een voorbeeldles omtrent het prentenboek Florians Dans van Quentin Blake en John Yeoman (2016). Het verhaal, over een jongen die onderweg naar opa en oma allemaal mensen tegenkomt die vanwege de hitte niet weten hoe zij zich moeten voortbewegen, wordt verteld aan de hand van een groot aantal woorden dat allerlei beweegvormen aanduidt. Bijvoorbeeld: dribbelen, stuiteren en trippelen. Het is een gemakkelijke ingang voor een dansles rondom verschillende manieren van bewegen die tegelijk bijdraagt aan de woordenschatontwikkeling van jonge kinderen. 

De Viertakt

Het didactisch model dat in het basisonderwijs veel gebruikt wordt om woordenschatonderwijs te structureren is de Viertakt (van der Nulft & Verhallen, 2009). Dit model bestaat uit de volgende vier fasen: 

  1. Voorbewerken: het activeren van voorkennis binnen een bepaald thema

  2. Semantiseren: het aanbieden en verduidelijken van woordbetekenissen

  3. Consolideren: het herhalen en inoefenen van de nieuwe woorden

  4. Controleren: het toetsen van de nieuwe woorden

De dansles is bij uitstek het moment voor het consolideren van woorden die de kinderen al aangeboden en uitgelegd gekregen hebben tijdens het voorlezen. Om ervoor te zorgen dat kinderen de nieuwe woorden opslaan en de betekenis ervan onthouden, moeten de woorden namelijk op zoveel mogelijk manieren en op verschillende momenten herhaald worden.  

Omdat woorden vaker dan in één dansles aangeboden moeten worden om ervoor te zorgen dat de kinderen de woorden onthouden, ligt in de dansles de focus niet op het controleren van de woordenschat (stap 4 van de viertakt). Desondanks kun je aan het einde van de les wel alle woorden nog eens voorbij laten komen en de kinderen vragen bij ieder woord de juiste bewegingen te maken.

Geef je de dansles op een basisschool? Vraag of de groepsleerkracht het prentenboek voorafgaand aan de dansles wil voorlezen in de klas! Als hij of zij de woorden die voor de kinderen nog onbekend zijn bovendien uitlegt, zijn stap 1 (voorbewerken) en stap 2 (semantiseren) voor aanvang van de dansles doorlopen. Jij kunt dan als dansdocent richten op het herhalen (consolideren) van de woorden en hun betekenissen door er met de kinderen over te dansen. 

Geef je de les niet op een basisschool, maar op een dansschool, of elders? Beperk je dan, ook wegens tijdsdruk, tot een kleiner aantal woorden per les. Selecteer woorden die de kinderen waarschijnlijk nog niet kennen en hen daadwerkelijk helpen hun woordenschat uit te breiden. Bied de woorden in clusters aan. Ga voor woorden die met elkaar te maken hebben en binnen het thema van de les passen. Je zou in dat geval ook meerdere danslessen aan hetzelfde prentenboek kunnen besteden, met steeds een ander cluster woorden. 

Doorloop dan zowel stap 1, als stap 2 zelf tijdens het voorlezen. Dit doe je bijvoorbeeld door voorafgaand aan het lezen samen met de kinderen het boek door te bladeren en te bespreken wat er allemaal te zien is, waar en over wie het boek gaat, wat er met de personages gaat gebeuren en hoe het verhaal zal aflopen. Zo activeer je het netwerk van woorden waarover de kinderen al beschikken binnen het thema van het boek (stap 1; voorbewerken). Semantiseer (stap 2) de nieuwe woorden door tijdens het voorlezen de nieuwe woorden direct uit te beelden en uit te leggen. Doe dit zonder het verhaal te onderbreken en maak zowel de uitleg van het woord als het uitbeelden ervan onderdeel van het voorlezen. 

Tip: Schrijf de woorden in blokletters op A4-papier en hang deze op in de ruimte. Zo worden de kinderen blootgesteld aan de letters en de schriftelijke vorm van het woord; het woordbeeld. 

Voorbeeldles Florians Dans

  • Deze dansles is geschikt voor de onderbouw van de basisschool.

  • Benodigdheden: de Spotify-afspeellijst Dansles Florians Dans, het prentenboek Florians Dans (of de digitale versie - zie video bovenaan dit artikel), een stuiterbal en eventueel spullen om mee te rammelen.

  • Het thema van deze dansles is ‘verschillende manieren van voortbewegen’. 

  • Om bij te dragen aan de woordenschatontwikkeling van de kinderen kunnen de volgende woorden uit het verhaal gebruikt worden tijdens de dansles: trippelen, huppelen, dribbelen, glibberen, zigzaggen, waggelen, stuiteren, rammelen en walsen. Schrijf één woord per vel op en hang deze op in de ruimte.

VOORLEZEN 

Blader het boek door en laat de kinderen reageren op wat ze zien. Stel de vraag: Welke manieren van bewegen zien we allemaal in het boek? Zo betrek je hen bij het verhaal en lok je uit dat de kinderen hun woordenschat binnen het thema activeren. Dit is stap 1 van de Viertakt. Lees vervolgens het verhaal voor en laat alle platen zien. Zet je mimiek en stemgebruik in om er een show van te maken. Zo betrek je de kinderen bij het boek en wek je de karakters en het verhaal tot leven. Door de woorden die je tijdens deze les wilt aanbieden direct uit te beelden en ze (in je rol als voorlezer) direct uit te leggen, zorg je er voor dat ook stap 2 van de Viertakt tot zijn recht komt.  

OPWARMING  

Take Five Dave Brubeck

Het verhaal begint met hoofdpersoon Florian die opgewekt wakker wordt. Daarmee begint ook de eerste dansoefening. De kinderen liggen op de grond te slapen en worden langzaam wakker. Zij rekken zich uit en maken vervolgens een kring. Begin met het voordoen van losschudbewegingen van verschillende lichaamsdelen en laat de kinderen deze bewegingen nadoen. Vraag op een gegeven moment wat er nog meer losgeschud moet worden om goed wakker te worden en laat dan kinderen het voorbeeld zijn.

OEFENING 1 - voortbewegen

Three dance episodes (from ‘’On the Town’’): III. Times Square 1944 Bernstein: fancy Free Ballet

Florian gaat op pad naar opa en oma. Onderweg komt hij allemaal mensen tegen die vanwege de hitte niet weten hoe ze zich moeten bewegen en hoe zij met hun marktwaar op de markt kunnen komen. Florian geeft hen allemaal de tip om met hem mee te dansen en geeft ieder karakter een andere ‘danspas’ om zich mee voort te bewegen. 

Voordat de kinderen vijf van deze manieren van voortbewegen op de muziek gaan uitproberen, doe je ze alle vijf voor. Zo zorg je ervoor dat de kinderen de juiste betekenis van ieder woord op hun netvlies hebben staan en zij vervolgens makkelijker instructies kunnen opvolgen waarin deze woorden zijn opgenomen. Laat hen na ieder voorbeeld zelf experimenteren en daag hen uit ook andere richtingen, hoogtes, tempi en dynamieken uit te proberen. Vervolgens worden alle vijf de manieren van bewegen op muziek herhaald. 

1. Trippelen zoals de varkensboer (0:00 – 0:50)

2. Huppelen zoals het bloemenmeisje (0:50 – 1:50)

3. Dribbelen zoals de kousenverkoopster (1:50 – 2:20)

4. Zigzaggen zoals de wasknijpervrouw (2:20 – 3:15)

5. Waggelen zoals de ganzenboer (3:15 – 4:33)

De overgangen van de ene naar de andere manier van bewegen zijn hoorbaar in de muziek. Zorg dat de muziek zacht genoeg staat om je verstaanbaar te maken en gebruik een korte beschrijving van de verhaal uit het boek en de platen uit het boek om iedere overgang naar de volgende beweegkwaliteit in context te plaatsen. Bijvoorbeeld tussen trippelen en huppelen: ‘’Florian en de boer met zijn varken dansten verder tot zij een bloemenmeisje tegenkwamen. ‘’Huppel maar mee naar de markt!’’ zei Florian tegen het meisje.’’ 

Let op: de verschillende manieren van voortbewegen worden in deze oefening in een andere volgorde dan in het boek aangeboden. 

OEFENING 2 - GLIBBEREN

Salut d’amour, Op. 12 Edward Elgar, Anne Akiko Meyers, Sandra Rivers

Florian en al zijn nieuwe vrienden dansen richting de markt. Op een gegeven moment komen ze een palingboer tegen met een grote ton met glibberige palingen op zijn hoofd. Die palingen glibberen allemaal door elkaar heen. 

Markeer op de grond een cirkel waar alle kinderen maar net in passen. De cirkel stelt de houten ton van de palingboer voor en de kinderen zijn de palingen. Stel de kinderen de vraag: hoe bewegen glibberige palingen in een krappe houten ton? Wellicht zijn er kinderen die deze vraag met woorden wil beantwoorden. Bied die kinderen in dat geval de kans zich te verwoorden. Dit draagt immers bij aan het geven van betekenis aan het woord ‘’glibberen’’ en verbreedt het netwerk van woorden rondom ‘’glibberen’’. 

Daag de kinderen uit om elkaar heen en tussen elkaar door te bewegen en benoem de kwaliteit van bewegen die daar bij zou kunnen passen. Stimuleer vloeiende, soepele, kronkelige, rustige, glibberige bewegingen. Probeer dit door elkaar ‘’glibberen’’ eerst weer zonder muziek en laat vervolgens de lyrische muziek de context en de kwaliteit van bewegen versterken. 

Fysiek contact is tijdens deze oefening toegestaan mits de kinderen bedachtzaam met elkaar om kunnen gaan. Je kunt er ook voor kiezen juist te stellen dat alle palingen constant op zoek zijn naar een beetje ruimte in de krappe ton en elkaar dus zo min mogelijk aanraken. 

OEFENING 3 - RAMMELEN

Senegal Djembé y Percusión (Djembes and Percussion), Estudios Talkback

Of gebruik voor de muziek zelf meegebrachte materialen om mee te rammelen zoals de ketellapper uit het verhaal (denk aan bestek, pannen en ander keukengerei).

Florian en al zijn nieuwe vrienden dansen verder richting de markt, maar stoppen onderweg voor een ketellapper met zijn rammelende potten en pannen. De ketellapper weer vanwege de snikhete dag niet hoe hij met zijn zware, rammelende spulletjes op de markt kan komen. 

Stopdans: de kinderen bewegen kriskras door de hele ruimte zolang ze het gerammel van de ketellapper (docent) horen. Wanneer de ketellapper (docent) in verband met de warmte even stopt met rondlopen om op adem te komen en het rammelen dus ook stopt, staan de kinderen stil als een standbeeld. 

Eventueel kan de stopdans voorzien worden van een wedstrijdelement door kinderen die nog bewegen wanneer het gerammel stopt te laten zitten. Dit heeft echter tot gevolg dat de kinderen minder kunnen dansen. Stimuleer snelle bewegingen (zoals trippelen en schudden) die passen bij de muziek en moedig kinderen aan hun hele lijf te gebruiken. 

OEFENING 4 - STUITEREN

Mariachi Ole, Gypsy Flamenco Masters

Florian en al zijn nieuwe vrienden dansen weer verder richting de markt en komen even later een orgeldraaier met een ongehoorzaam aapje tegen dat alle kanten op stuitert. 

Vraag de kinderen of zij met woorden en bewegingen kunnen omschrijven hoe stuiteren eruit ziet. Pak vervolgens een stuiterbal en laat de kinderen zien hoe een stuiterbal omhoog springt nadat deze de grond heeft geraakt. Laat de kinderen dit nadoen in grote sprongen; een sprong met een versnelling in de opwaartse beweging. 

Splits vervolgens de groep en laat één groep zitten. De andere groep mag als eerste dansen. Zodra de muziek begint gaan zij experimenteren met stuiterbewegingen en sprongen in hun dans. Wanneer de muziek is afgelopen krijgt de andere groep de kans om te ‘’stuiterdansen’’. Laat beide groepen gericht kijken naar elkaar door kinderen uit beide groepen aan elkaar te koppelen en hen een kijkvraag te stellen. Bijvoorbeeld: ‘’Welke bijzondere stuitersprongen kun je ontdekken in de dans van ...?’’ Hierdoor leren de kinderen niet alleen zelf te dansen, maar ook te kijken naar dans. 

OEFENING 5 - HERHALING

Radetzky March, Op. 228 KPM Philharmonic Orchestra Viktor Zinoviy, Dementiy Bogdan

Als alle personages voorbij zijn gekomen, is het tijd om met z’n allen als dansstoet naar de markt te gaan. Benoem één van de kinderen tot Florian en laat hem of haar voorop dansen en de groep leiden in de route naar het huis van opa en oma. De kinderen bewegen als een lange stoet door de ruimte en dansen vrolijk op alle manieren die eerder voorbij zijn gekomen; trippelen, huppelen, dribbelen, zigzaggen, waggelen, glibberen, rammelen en stuiteren. Laat de kinderen eerst nog eens alle vormen van bewegen uit het verhaal herhalen (en herhaal nogmaals alle woorden bij de bewegingen) en laat hen tenslotte zelf kiezen hoe zij verder willen dansen. 

Aan het einde van de muziek staat iedereen in een kring klaar om de dansles af te sluiten, of om verder te gaan met de volgende oefening. In het verhaal wordt namelijk ook nog gewalst. Geef je langer dan 60 minuten les of zijn de leerlingen ervaren dansers, dan kun je nog twee oefeningen (6+7) aan de dansles toevoegen. Wil je dit niet? Ga dan direct na deze oefening verder met de afsluiting. 

OEFENING 6 - RITMIEK

Mazurka 1 Rob Thaller

Eenmaal aangekomen bij de markt gaat Florian met al zijn nieuwe vrienden op bezoek bij zijn opa en oma. Statig/deftig dansen (walsen) zij daar in paren. 

De kinderen gaan eerst een wals beluisteren en tellen. Om de kinderen het accent op tel één van een wals te laten voelen buigen de kinderen vervolgens (met de handen in de zij) op iedere eerste tel van een nieuwe maat hun knieën. Als dit goed gaat laat je de kinderen op tel twee en tel drie de vingers tegen elkaar tikken (klappen overstemt de muziek!). Dus: buig, tik, tik, buig, tik, tik, enzovoorts. Om dit moeilijker te maken kan het aangetikte lichaamsdeel steeds een ander lichaamsdeel zijn. Je krijgt dan bijvoorbeeld: buig, tik op de knie, tik op de knie, buig tik op het hoofd, tik op het hoofd, enzovoorts. 

Houd in de gaten dat de complexiteit van het aantikken van verschillende lichaamsdelen de ritmiek niet in de weg staat. Het doel van deze oefening is immers het ervaren van accenten in een wals. Doe zo nodig een stap terug. 

OEFENING 7 - WALSEN

Waltz from Coppélia Zdenek Chabala & The Czech Philharmonic

Alle leerlingen kiezen een danspartner uit en gaan klaarstaan in hun startpositie voor het walsen. Wanneer de muziek begint gaan de kinderen samen dansen op de walsmuziek die zij horen. 

Geef rond 1:00 in de muziek aan dat iedereen een andere danspartner mag zoeken, laat de kinderen eerst weer deftig klaarstaan en geef dan het teken dat iedereen tegelijkertijd mag beginnen met dansen. Zo komen de kinderen beter in hun rol van deftige dansparen. Geef rond 2:35 in de muziek aan dat Florian afscheid neemt van al zijn nieuwe vrienden en dansend naar huis vertrekt. Laat de kinderen dit afscheid dansen door te zwaaien en deftige buigingen te maken.

OEFENING 8 - AFRONDEN

Eindig de les kort in de kring. Lees nogmaals de laatste bladzijden van het prentenboek voor, zodat het verhaal afgesloten wordt en laat de kinderen ondertussen weer op adem komen. Herhaal nog één maal alle woorden die tijdens deze les zijn gedanst: ‘’We hebben getrippeld, gehuppeld, gedribbeld, gezigzagd, gewaggeld, geglibberd, gerammeld, gestuiterd en gewalst. Hoe ga jij nu naar huis?’’ Of vraag omstebeurt een kind om een van de bewegingen voor te doen.

Heb jij een vraag voor onze redacteur Bo van Hagen over deze les of heb je de voorbeeldles uitgevoerd? We horen graag van je! Je kunt je vragen en ervaringen onderaan dit artikel achterlaten in een opmerking.  


Muziek & Lesmateriaal

Als dansdocent ben je veel tijd kwijt met voorbereiding. Uren die niet betaald worden. Vooral muziek zoeken voor een nieuwe les is een hels karwei. Wie kent er nog een leuk liedje over de winter? Of over vlinders? Leeuwen? Bijen? En welke oefening doen we daar bij? Help! Onze redacteur Muziek & Lesmateriaal schrijft artikelen met oefeningen en lesplannen voor danslessen voor kinderen. Deze worden vergezeld van muzieksuggesties, zodat jullie nooit meer lang hoeven te zoeken naar een geschikt muzieknummer!

16143813_10208588738861376_918661474215809054_o (2).png

Bo van Hagen

Bo van Hagen is redacteur Muziek & Lesmateriaal voor kinderen. Ze heeft dans gestudeerd aan de Nationale Balletacademie en Codarts. Momenteel doet ze de pabo met een interesse in creatieve en progressieve vormen van onderwijs. Voor Dansdocent.nu stelt ze inspirerende lesplannen samen, compleet met muzieksuggesties.