Wat is periodisering van danstraining? Gaby Allard vertelt!

Gaby Allard. Fotograaf: Michèle Giebing.

INTERNATIONAAL DANSONDERZOEK | Durf jij jouw lespraktijk opnieuw te bezien? Vanuit andere principes, zoals de sport? Gaby Allard had dat lef! In 2006 werd zij directeur van de opleiding Danser / Maker van ArtEZ in Arnhem. Ze besloot toen om het curriculum te herevalueren door periodisering toe te passen op danstraining, in samenwerking met Matthew Wyon. Daar vertelt ze uitgebreid over in het boek Periodization. Voor ons een goed excuus om deze inspirerende danser, docent en leidinggevende uit te nodigen voor een interview!

Het gaat erover: durf je opnieuw je praktijk te bezien, vanuit andere principes. En nu - bij periodisering - is dat vanuit de sport, maar het kan ook vanuit de filosofie zijn. Durf je jezelf te beschouwen door een andere lens, met andere kennis, met een andere invalshoek. En durf je het ook echt te dóén? En durf je ook de consequenties aan te gaan als je dan iets ziet waarvan je denkt: nou ik weet niet of wat we nu doen zo waardevol, duurzaam of toekomstbestendig is. Durf je dan ook te zeggen: we gaan eens kijken of we dat anders kunnen doen. 
— Gaby Allard

Periodisering van danstraining

Vraag jij je als danser ook wel eens af of je op de meest efficiënte manier aan het trainen bent? Of dat jij er als dansdocent wel alles aan doet om blessures bij je leerlingen te voorkomen? Of hun prestaties te verbeteren? En wat weerhoud je er dan van om die vragen structureel te gaan onderzoeken? 

Toen ik dans studeerde vroeg ik me namelijk geregeld af waarom mijn docenten lesgaven zoals ze dat deden. Of het niet ook anders kon, en het misschien beter zou zijn als het anders zou gaan. Niet alleen wilde ik me meer betrokken voelen bij de les en op een dieper niveau begrijpen waar we mee bezig waren, ik wilde ook evidence-based les krijgen. Ik wilde zeker weten dat wat we deden de snelste route naar betere prestaties was én met de minste kans op blessures. Kortom: ik wilde slim trainen en geen tijd verspillen. Maar hoe dat moest dat wist ik niet. En volgens mij wisten mijn docenten dat eigenlijk ook niet.

Na mijn studie hoorde ik voor het eerst over ‘periodisering’ van danstraining. Bijvoorbeeld: bij Codarts Rotterdam laten ze de dansstudenten in de eerste paar weken na de zomervakantie geen sprongen doen, omdat dat te belastend is na zo’n lange rustperiode. Om blessures te voorkomen bouwen ze daarom de intensiteit van de trainingen langzaam op (deze aanpak is het resultaat van onderzoek dat Janine Stubbe nu leidt, maar al in 2003 door Anna Aalten en Gaby Allard is geïnitieerd). En ik wist ook dat de dansopleiding van ArtEZ in Arnhem bezig was geweest met periodisering, onder leiding van Gaby Allard. Zie onderstaande video. 

Maar hoe je periodisering als dansdocent nou zelf zou kunnen aanpakken? Daarvan had ik geen idee! Dus toen het boek Periodization: A Framework for Dance Training dit voorjaar uitkwam, dat Gaby Allard samen met sport- en danswetenschapper Matthew Wyon schreef, moest en zou ik het boek hebben. En Allard interviewen voor deze rubriek! Want ik wilde dolgraag meer weten over het onderzoeksproject en de curriculumhervorming.

Geen trucje

Tijdens het lezen van dit boek kwam ik er al snel achter dat het bij periodisering niet zozeer draait om blessurepreventie, maar om prestatieverbetering. 

Periodisering is een eeuwenoude aanpak uit de sport waarbij de trainingsschema’s zorgvuldig worden samengesteld om sporters op de juist momenten te laten presteren. Bijvoorbeeld tijdens wedstrijden. Daarbij wordt er rekening gehouden met de afwisseling van training en rust. Verder wordt er bij periodisering gretig gebruik gemaakt van inzichten uit wetenschappelijk onderzoek naar topsporters.  

Maar ik leerde ook, tot mijn aanvankelijke teleurstelling, dat periodisering niet een vaste set best practices of tips is waarmee je eenvoudig een trainingsschema kan maken. Er zijn niet echt universele do’s and dont’s. Want hoe je het beste traint is afhankelijk van wat precies de trainingsdoelen zijn en welke begeleiding een sporter nodig heeft. Dat is vaak voor iedere sporter weer net even anders. En dat geldt dus ook voor iedere danser en dansopleiding! 

Dit (periodisering) was goed voor dit instituut (ArtEZ) op dit moment (van 2006 tot 2010). Daarom is dit boek er ook gekomen. Je kunt het transversaal maken en in andere contexten toepassen. Maar het is geen trucje! Want het is een lang proces geweest, met de studenten, docenten en de omgeving. We hebben ons steeds afgevraagd: werkt dit curriculum voor dit profiel, voor deze school, voor deze studenten? En dat hebben we steeds meer verfijnd. Maar je kunt niet zeggen: lees het boek en gooi het over de schutting naar een andere school. Nee, daar moet je dan hetzelfde proces doorlopen.
— Gaby Allard

In het boek Periodization worden de basisprincipes van periodisering weliswaar uitgelegd, maar het is dus geen handboek. Allard en Wyon zeggen er niet in: ‘Zo móét je het doen’. Wel laat het boek het proces zien dat Allard en haar team op ArtEZ hebben doorlopen. Daarover ging ik met haar in gesprek op een van de laatste hete zomerdagen in september, op een terras in Amsterdam. En zo leerde ik alsnog waar periodisering (voor haar) om draait…

De docent als onderzoeker

Geven we als (dans)docenten les zoals het altijd is gedaan? Of geven we les op de meest effectieve manier? Hoe weten (of meten) we dat? En wat is ons doel eigenlijk? Wat moeten studenten na dit jaar, of vier jaar, kunnen? Zijn die doelen nog wel van deze tijd? Wat willen de studenten eigenlijk zelf graag leren? En hoe? Hoe denken andere docenten in het team hierover? Sluiten lessen op elkaar aan, of is ieder in zijn eigen bubbel bezig? En is ‘meer meer meer’ wel beter? Of bereiken we meer door juist minder te trainen, en meer te reflecteren? Hebben de studenten nog wel headspace voor nieuwe leerstof, of zijn ze eigenlijk te moe? Hoe zorgen we ervoor dat ze presteren op de juiste momenten?

Deze gedachtegang is bij mij blijven hangen na mijn interview met Allard. Het is een samenvatting van de vragen die Allard zichzelf en het team heeft gesteld, en die in het boek worden behandeld. Tijdens ons gesprek beschrijft ze periodisering als “praktijkgericht onderzoek”. Iets waar we volgens Allard behoefte aan hebben in de danswereld. 

Ze vindt het mooi wanneer wetenschappers samenwerken met dansers en de dialoog aangaan. Zoals zij heeft gedaan met de Britse sport- en danswetenschapper Matthew Wyon. Maar ze vindt dat dansers en dansdocenten zelf de tools moeten krijgen om dat praktijkonderzoek te doen, want ook zij lopen rond met belangrijke en waardevolle vragen. Zelf behoort Allard tot de eerste groep practioners (dansers) die hier warm pleitbezorger van zijn en zo’n praktijkonderzoek startte. 

Lectoren hebben wel eens aan mij gevraagd: hoezo jij en onderzoek? Alsof je je bijna moet verdedigen. Maar ik zei: ‘Ja, ik ben een practitioner, maar ik heb wél die vragen en ik omring mij met mensen [die mij kunnen helpen dat onderzoek te doen]’. En dát was toen wel ongewoon, nieuw. Dat wij als community (het docententeam van de dansopleiding), hebben gezegd: we gaan gewoon drie jaar lang - en daarna langer - onze eigen praktijk, terwijl we het doen, als onderzoeksobject bezien. Dat is wel bijzonder. Maar dat kan dus!
— Gaby Allard

Een nieuw curriculum

In het boek Periodization beschrijft Allard de periode van 2006 tot 2010, toen ze bij ArtEZ begon als hoofd van de opleiding Danser / Maker (nu: Dance Artist). Met de hulp van Matthew Wyon en andere sportwetenschappers paste ze periodisering toe. Aldoende hervormden ze het curriculum van de opleiding. Het docententeam werd onderwezen in periodisering en het vakkenpakket en rooster werden opnieuw geëvalueerd en gaandeweg aangepast. 

Daarbij werd er niet alleen gemeten wat de impact was van periodisering op het aantal en soort blessures van de studenten. Nee, met het oog op ‘optimale prestaties’ ging het team ook in gesprek met het werkveld: welke vaardigheden hadden deze studenten nodig om straks een succesvolle carrière op te bouwen? En: hoe is het werkveld aan het veranderen? Bijvoorbeeld: wat moeten deze jonge dansers kunnen laten zien op audities om aangenomen te worden? Of: welke skills hebben ze straks nodig om zelf werk te maken en financieel rond te kunnen komen?

Het gaat over het gesprek: wat is jouw expertise waard, wat is mijn expertise waard, en is dat nog hetzelfde waard als toen? Is het voor de eerstejaars hetzelfde waard als voor de vierdejaars? Is het voor deze nieuwe lichting studenten hetzelfde waard als die we vorig jaar hadden? Hoe verschillen ze eigenlijk? Wat is het basisniveau? Hoe ziet het werkveld er nu uit? Eigenlijk is het (periodisering) alleen maar dat: je gebruikt een aanpak om tot dat gesprek te komen. En durf je toe te geven: er staan 10-20 nieuwe mensen voor mijn neus, werkt het onderwijs zoals we het bedacht hadden ook voor deze groep?
— Gaby Allard

Allard had namelijk als kersverse nieuwe directeur de wens om de dansopleiding en de choreografie opleiding samen te voegen tot één nieuwe opleiding: Danser / Maker. Door de vele bezuinigingen in de culturele sector was de ambitie ‘danser worden bij een dansgezelschap’ voor veel minder studenten haalbaar. Het nieuwe normaal hield in dat veel studenten slash artists zouden worden. Oftewel, danser / maker / producer / docent / leidinggevende / etc. Zzp’er dus. Dat alleen was al reden genoeg om het curriculum te herevalueren en te vernieuwen.

Intensieve samenwerking

In het boek beschrijft Allard uitgebreid hoe het nieuwe curriculum tot stand kwam en wat er precies veranderde. Ik raad je ook zeker aan het boek gaan lezen! Hier vind ik het interessanter te benadrukken dat het van de docenten een hele andere houding vroeg. Ineens mochten ze weer kwetsbaar, nieuwsgierig en leergierig zijn. 

Ik heb in dit proces natuurlijk ook vaak gehad dat docenten naar mij toe kwamen en vroegen: moet ik het nu allemaal weten?’ Nee, je hoeft het helemaal niet te weten. Je hebt zoveel ervaring. Daar kun je gewoon elke dag op bouwen, maar het is goed om je te realiseren dat veel van de dingen die wij doen gebaseerd zijn op dingen die wij aangeleerd hebben gekregen. Dus toets in ieder geval of dat je eigen waardes zijn, of dat de waardes zijn die je hebt meegekregen. En als het één op één is, top. Maar als je toch denkt: dit is veel meer de historie of het aangeleerde, dan krijg je nu de kans om daar opnieuw een waardering van te doen. Dat is toch prachtig?!
— Gaby Allard

Dus iedere docent binnen de opleiding mocht zichzelf als onderzoeker opstellen en de eigen lespraktijk opnieuw bevragen! Dat betekende dat sommige vakken in minder tijd gegeven konden worden. Of dat een docent diens les vroegtijdig mocht beëindigen als het trainingsdoel van die sessie bereikt was. Of dat een aantal repetities geschrapt zouden worden als de studenten aangaven vermoeid en overbelast te zijn. Kortom: het lesrooster was flexibel en kon aangepast worden als dat nodig was om de fysieke en mentale gezondheid van de studenten te waarborgen - en de leerdoelen! 

De periodisering van het curriculum was het resultaat van een intensieve samenwerking. Er werden continu gesprekken gevoerd om gezamenlijk te reflecteren op wat het effect was van de verschillende onderdelen van het curriculum, en hoe het een op het ander aansloot - of juist niet. Bij ieder aspect van de opleiding werd gekeken of het wel het einddoel diende. En daar mocht iedereen over meepraten, ook de studenten. 

Maar om de docenten die vrijheid te kunnen geven hun praktijk te herevalueren, moest Allard als leidinggevende hen er wel van verzekeren dat de uitkomsten geen invloed zouden hebben op hun contract bij ArtEZ. Het onderzoek mocht geen concurrentiestrijd worden, want uit een angstcultuur komen geen eerlijke antwoorden. Dus ging Allard ook met de docenten op zoek naar: als je bijvoorbeeld kortere lessen geeft, hoe kun je dan wel je uren blijven maken?

Als je aan je omgeving vraagt: ‘Zullen we van onze eigen praktijk een onderzoekspraktijk maken?’, dan moet je wel garanties geven. Waar het om gaat is: doen we het optimale wat we moeten doen om tot die prestaties te komen? En dan zijn er ook andere dingen die je kunt doen. Dus uren die je eerst besteedde aan lesgeven, kunnen misschien ook aan coaching, assessment, feedback, ontwikkeling etc kunnen worden besteed. Dus ga je verschuiven van waar de kwaliteit in het onderwijs zit… hoeft niet per se in uren te zijn. Maar wel in: wat doe je? En doen we dingen uit gewoonte? Of omdat ze gewoon het beste resultaat opleveren?
— Gaby Allard

Dienend leiderschap

Allard werkte uiteindelijk zo’n twaalf jaar, in verschillende leidinggevende functies, bij de dans- en theateropleidingen van ArtEZ. Momenteel is ze lid van het raad van bestuur van ROC Amsterdam. Tijdens het interview vraag ik haar ook dáár naar: “Waarom werk je elke paar jaar ergens anders?” En: “Wat zegt dat over jouw visie op leiderschap?”

Het valt me namelijk op dat in de culturele sector artistiek leiders en andere leidinggevenden niet snel hun functie opgeven. Meestal blijven ze zitten tot hun pensioen, om dan pas het stokje over te dragen. Allard niet. Zij is steeds met iets nieuws bezig! 

Als ik haar vertel hoe bijzonder en inspirerend ik dat vind, wuift ze het een beetje weg. Mijn nervositeit vooraf aan het gesprek blijkt ook nergens voor nodig: ze is ontzettend vriendelijk en bescheiden en gaat enthousiast op al mijn vragen in. Ja, ze is trots op wat ze heeft gedaan, maar ik merk bij haar niet dat ‘ego’ op dat je in de danswereld vaak tegenkomt. 

Ik doe dit niet voor mijzelf. Het gaat er niet om dat ik mijn eigen cv aan het organiseren ben. Dit doe je voor het werkveld. Dat is dat leiderschap waar we het over hebben. Je hebt een verantwoordelijkheid om eraan bij te dragen. De conferenties die ik georganiseerd heb zijn niet voor mijzelf, voor het podium, maar die zijn voor het debat en de dialoog stimuleren. Zodat mensen geïnspireerd raken en ideeën kunnen krijgen. En daar gaat dit [boek en periodisering] ook over: de dialoog aan gaan met de sport. Kan dat ons helpen? En dan wel durven dat een tijdje te gaan volgen.
— Gaby Allard

Allard identificeert zichzelf niet met de functies die ze bekleedt. Dat zijn slechts ‘rollen’, tijdelijke verantwoordelijkheden. Gedurende het gesprek komen de woorden ‘dienend leiderschap’ bij mij op. Ik kende de term niet, maar het blijkt jargon te zijn: servant leadership. Het is een leiderschapsstijl waarbij het bevorderen van het gemeenschapsgevoel en de persoonlijke groei van de werknemers centraal staat. Daarbij zijn openheid, oprechtheid en vertrouwen belangrijk.  

Het is denk ik díé houding waaraan Allard haar succes te danken heeft, en waarmee ze zoveel heeft kunnen bereiken bij ArtEZ. Doordat zij zich leergierig en kwetsbaar opstelde en bereid was samen te werken met wetenschappers en te leren van de mensen in haar team, ontstond voor iedereen die ruimte om fouten te mogen maken en leergierig te zijn. Ze had het lef om die verantwoordelijkheid op zich te nemen, dat risico te nemen. 

Ik schrijf in het boek: er is ook een risico om het te gaan doen. Omdat, je moet lef hebben om te zeggen: wij durven onze praktijk tegen het licht te houden. Omdat je niet weet dat wat je daarna gaat doen hetzelfde effect heeft. Maar als wij dit niet doen, weten we het nooit. Wij zijn aan elkaar verplicht om elke keer opnieuw de vraag te stellen: hebben we nog steeds het meest optimale onderwijs voor de generatie die nu - en straks - opgeleid moet worden? En dan mag je net zo onzeker zijn over wat daar uit komt. Maar je moet het wel doen! En dat is denk ik wel iets waar ik nooit bang voor ben geweest.
— Gaby Allard

Dat lef, die nieuwsgierigheid… Dat bewonder ik!

Wees nieuwsgierig!

Nieuwsgierig mogen zijn… Nee, nieuwsgierig durven zijn. Dat gun ik iedereen. Jullie, de docenten. Maar ook mezelf. Het voelt als een opluchting te beseffen dat leiding geven niet gelijk staat aan altijd overal een antwoord op moeten hebben. Dat wist ik wel, maar toch… na mijn gesprek met Allard voel ik het ook.  

Dat is onze verantwoordelijkheid als leiders. Dat kunnen wij gewoon faciliteren. Dat we met zijn allen oprecht nieuwsgierig mogen zijn en blijven naar onze wereld, naar onze praktijk, en dat als je het dan even niet weet, dat dat iets goed is. Ik geloof dat het docenten ook een beetje bevrijd heeft.
— Gaby Allard

Bio Gaby Allard

Gaby Allard is sinds 1 september 2019 lid van de raad van bestuur van ROC-Amsterdam Flevoland. Tevens promoveert ze momenteel aan de Canterbury Christ Church University, England. Allard volgde een opleiding tot balletdanser aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Na haar afstuderen werkte ze 15 seizoenen bij het moderne dansgezelschap Dance Works Rotterdam. Eerst als danser, later ook als docent, repetitor en assistent van de artistiek leider. Daarna werkte ze drie jaar voor de dansopleiding van Codarts Rotterdam. Allard werd in 2006 benoemd tot directeur van de ArtEZ Dansacademie, faculteitsdirecteur in 2009 en academiedirecteur Theater én Dans in 2015. Tevens is ze oprichter van het National Center of Performing Arts in Arnhem. Allard zit in vele besturen en nationale adviescommissies.

Bronnen


INTERNATIONAAL DANSONDERZOEK

In de rubriek ‘Internationaal Dansonderzoek’ scheiden we fabels van feiten. We nemen een kijkje in de wereld van danswetenschap en gaan in gesprek met de onderzoekers over hun bevindingen: Waarom hebben ze dit onderzoek gedaan? Wat hebben zij ontdekt? En wat hebben dansers of dansdocenten aan die inzichten? Zo zorgen wij ervoor dat de meest relevante danswetenschappelijke kennis het werkveld daadwerkelijk bereikt.

Jacqueline de Kuijper

Danswetenschapper Jacqueline de Kuijper is de oprichter en hoofdredacteur van Dansdocent.nu. Ze studeerde danswetenschappen aan Mills College in Californië. Tijdens haar bachelor aan University College Utrecht studeerde ze theaterwetenschappen, kunstgeschiedenis en psychologie. Haar scherpe pen en onderzoekende geest zet ze sinds 2019 in om dansdocenten te inspireren. Naast het aansturen van de andere redacteuren, is ze verantwoordelijk voor de rubrieken ‘Bijscholing & Omscholing’ en ‘Internationaal Dansonderzoek’.